Pokerfaces in de geestelijke hulpverlening? Liever niet

Hoewel ik mij als psychiatrisch verpleegkundige een gewaardeerde hulpverlener en collega voelde, kreeg ik vaak de indirecte boodschap dat ik ‘te zacht’ zou zijn. Inmiddels herken ik dat als de onzekerheid en onkunde van degene die dit zegt.

Door Ester

Ik denk dat ik met mijn ‘te zacht’ zijn nog steeds confronterend kan zijn voor mensen en hen een spiegel kan voorhouden. Met de billen bloot: dat is nu eenmaal niet de favoriete bezigheid van de mensheid, maar je moet mensen er zeker niet toe dwingen. Ze doen het juist eerder als ze zich veilig en gewenst voelen. En ik kan naar eerlijkheid zeggen: er zijn ondanks (of dankzij) mijn zachtheid nooit slachtoffers gevallen en ik kon de heftigheid op mijn werk prima aan. Juist tijdens heftige emoties zijn mensen het meest eerlijk en echt: en als 'zachtaardig persoon' heb ik een sterke neus voor wat eerlijk en echt is. Ik kan er daarom ook eerlijk en echt op reageren. Het was dus om die reden dat ik heftige situaties op de afdeling niet per direct schuwde.

Niet dat ik per se een held ben en ja, een zachtaardige doch duidelijke en tevens breedgespierde mannelijke collega vormde een mooie combi met dit fijngevoelige persoontje. Maar toch, als het erop aan kwam, stond ook deze dame echt wel haar vrouwtje. Hoe ik dat deed? Rust inbouwen, oogcontact maken, zorgen voor een vriendelijke en vertrouwde sfeer, praten over alledaagse, luchtige zaken en af en toe ook mijn eigen kwetsbaarheid tonen. En ja, dat ging eigenlijk wel vanzelf. Het was geen truc of therapeutische techniek. Ik heb - waarschijnlijk hierom - jarenlang met veel plezier in de psychiatrie gewerkt. Nog altijd kijk ik er met goede herinneringen op terug. Van tijd tot tijd mis ik dit werk, omdat het je erg dicht brengt bij de kern van ‘waar het in het leven om draait’.

En toen kwam die dag – 14 juli 2001 – dat ik van B-verpleegkundige bijna geruisloos veranderde in patiënt. Maar dat had niets met het ‘wel of niet aankunnen van dit werk’ te maken. Dat was zonder dit werk ook wel gebeurd. Die periode als patiënt veranderde ook mijn kijk op de rol van de hulpverlener. Ik denk in dit verband nog weleens terug aan een gesprek dat ik hierover had met een ‘ervaren’ collega. Ze vertelde mij glashard dat dit werk niet geschikt voor mij zou zijn, omdat ik ‘nu eenmaal geen pokerface heb’. Ik keek haar zeer niet-begrijpend aan. 'Ja,' zei ze, op een jufferige toon, de handen samengevouwen, mij vooral niet aankijkend: 'Als je in de psychiatrie werkt, dan moet je een pokerface hebben. Jij hebt geen pokerface, dus daarom ben je niet geschikt om in de psychiatrie te werken.' En daar moest ik het mee doen. Teleurgesteld droop ik af. Van het gesprekskamertje weer terug naar de afdeling. Om weer verder te gaan met mijn werk, wat blijkbaar mijn werk niet was?

Niet lang na dit gesprek brak de pleuris uit. Dat had dus verder niets met die collega te maken. Na de geboorte van onze zoon raakte ik in een zware postpartumdepressie en kreeg ik last van psychoses. Deze werden aangewakkerd door een versnelde schildklierwerking. Ik was totaal schaakmat gezet. Uitgeschakeld. Godzijdank bleek dit uiteindelijk een tijdelijke fase in een mooie ingekapselde periode, maar het was wél een periode van twee lange, zwarte jaren. Achteraf kan ik zeggen: Je leert véél van ‘patiënt zijn’. Heel veel. Ik kan het daarom iedere collega aanraden, maar ik gun het niemand. Nee, ik gun het ook de pokerface-collega niet om zó ver af te moeten glijden. Dan maar liever gewoon je pokerface behouden. Maar, als ik al één inzicht zou mogen delen dan is het dat júist de pokerface beter een ander beroep kan kiezen.

Het eerste wat ik als student hbo-verpleegkunde leerde over psychoses: 'De patiënt is het contact met hemzelf en de hem omringende werkelijkheid kwijt.' Inderdaad, daar ben ik zelf hardhandig achtergekomen. Ik heb het geweten, en hoe. Als jouw hulpverlener dan ook nog eens voor pokerface gaat spelen, dan raak je alleen nog maar verder verwijderd van de werkelijkheid. Psychiatrische patiënten hebben vaak als geen ander een sterk gevoel voor wat wel en niet klopt. Ik was daar zelf extreem gevoelig voor. Wie is echt en eerlijk en wie niet? Het waren de hulpverleners, die mij recht in de ogen keken, die niet wegkeken, mij bij de schouders pakten en zeiden: 'Hé joh, ben je er nog, ben je hier en ben je nu?' Dát waren de kanjers die ik nooit meer zal vergeten.

En daar is niet zoveel voor nodig. Gewoon, jezelf zijn.

Hieronder vertelt Ester over de de meest donkere periode uit haar leven:

Even voorstellen:
Ester is verpleegkundige, groepsleerkracht, praktijkopleider èn ervaringsdeskundige. Tevens is ze ambassadeur van het Fonds Psychische Gezondheid. Op haar weblog www.esterretjes.blogspot.com schrijft ze over luchtige en diepgaande alledaagse ervaringen. Af en toe schrijft ze hier over haar visie op de Geestelijke Gezondheidszorg.

Reacties

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.