Inleiding: de lijnen tussen gedachten, gevoelens en gedrag

De kracht van gedachten, en hoe je die kunt gebruiken
‘Great power brings great responsibility,’ luidt een bekend Engels spreekwoord. Macht vraagt om verantwoordelijkheid. Je brein is mogelijk het machtigste wat je bezit. Het is de kern van je zijn en creëert jouw beleving van de werkelijkheid. Zonder een beetje controle of inzicht in je eigen denken neemt je geest al snel een loopje met je. Het kan je van alles laten geloven en doen. Overdreven?

Stel dat je huisarts jou, naar aanleiding van een routine-onderzoekje, telefonisch het volgende misverstand meldt: ‘Ik heb helaas slecht nieuws: u blijkt een tumor te hebben.’

Dit zijn slechts elf woorden, via de telefoon uitgesproken, maar waarschijnlijk - afhankelijk of je ze gelooft - zetten ze je hele werkelijkheid op zijn kop. Bestond je leven misschien net nog uit ‘rustig een kopje koffie drinken’, nu is het mogelijk blinde paniek geworden. Niks lijkt meer zeker.

In dit dossier kijken we eerst naar de link tussen denken en voelen. Het gaat over gedachten en hoe het geloof in sommige, maar niet in andere, je werkelijkheid vormgeven. Meestal gebeurt dat gelukkig lang niet zo dramatisch als in bovenstaande voorbeeld, maar daarin schuilt soms (of juist) het probleem: bepaalde gedachten sluipen er ongemerkt en langzaam in, en bepalen ondertussen wel hoe jij je voelt en gedraagt, en wat je in anderen oproept. Het worden blinde vlekken.

Laten we eens kijken naar enkele willekeurige gedachten uit de bovenkamer van Martine:

Gevoelsmatig waar: ‘Ik hou van salsadansen.’ ; ‘Ik ben 27.’; ‘Ik mis mijn vader die vorig jaar overleden is.’ ‘Morgen is het maandag.’

Waarschijnlijk waar: ‘Ik heb nooit tango gedanst, maar ik vind het leuk.’; ‘Peter houdt van me.’; ‘Volgende week ga ik drinken met Willemien.’

Misschien waar : ‘God bestaat en zorgt voor mij.’; Mijn ex-vriend mist mij.’; ‘Ik ga naar Brazilïe komend voorjaar.’

Zeker niet waar: ‘Ik voel me slecht over mijn werk.’ ‘Ik ben onzeker over de relatie met Peter.’

Het werkelijkheidscentrum in je hersenen
We lopen de hele dag rond met ontelbare vermoedens, slechts een paar dingen daarvan 'weten' we zeker. Dat worden automatismen in ons denken. De meeste veronderstellingen zorgen ervoor dat we de dag doorkomen en dat we weten wat er van ons verwacht wordt.

De zon komt op; er komt drinkwater uit de kraan; agressieve mensen moet je vermijden; de supermarkt is een betrouwbare plek om eten te halen; ik moet aardig doen tegen mijn baas anders ontslaat ie me, de zon gaat onder, enzovoorts.

Erg nuttig. Er gaat heel veel goed in een mensenleven.

De dingen die we niet zeker weten worden door onze hersenen ingevuld met voorlopige hypotheses. Als die hypotheses voldoende steun in de werkelijkheid lijken te vinden zullen we ze op een gegeven moment voor waar aannemen. Ook als ze dat niet zijn.

En dat is lang niet per se schadelijk. Zo kun je in een liefhebbende God geloven, atheïst zijn of denken dat de Aarde geschapen is door een paars buitenaards wezen: in al die gevallen zal het geloof wel je gedrag bepalen, maar je kunt gewoon je dagelijkse leven hebben zonder je overlevingskansen of kansen op geluk in gevaar te brengen.

Onze hersenen zijn in staat om over allerlei waarschijnlijke en onwaarschijnlijke scenario's na te denken, maar alleen door regelmatige toetsing aan de werkelijkheid wordt er een enigszins bruikbaar beeld van onszelf en de wereld gemaakt dat we voor ‘echt’ aannemen. Sommige gedachten voelen waar, andere niet.

Neuropsychologen hebben aangetoond dat onze hersenen een speciaal circuit hebben voor 'realiteit', de zaken die we voor waar aannemen. Dat circuit draait op zowel de dagelijkse dingen (er komt drinkwater uit de kraan) als de hogere metafysica (Ik heb telepathisch contact met een aartsengel). Als die gedachten eenmaal in het ‘werkelijkheidscentrum’ zitten is het lastig om ze daaruit te krijgen, zeker als onze alledaagse werkelijkheid ze niet systematisch corrigeert (Bijvoorbeeld: zoals het geloof in een onzichtbare en onfalsifieerbare God).

Onze hersenen hebben nou eenmaal behoefte aan orde en structuur, en een verklaring waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Zelfs slechte verklaringen. Onderzoekers hebben aangetoond dat naarmate we ons meer 'bedreigd' of 'onzeker' voelen, we eerder onwaarschijnlijke verklaringen zullen aannemen. We zijn gewoon niet zo tevreden met: 'Ik weet het niet.'

Logisch, we willen allemaal kunnen vertrouwen op een werkelijkheid die we door ervaring zorgvuldig hebben opgebouwd. Dat is de manier om enigszins harmonieus te functioneren in deze ingewikkelde mensenjungle. Mensen bij wie dit toets-het-aan-de werkelijkheid-mechanisme niet goed werkt worden in de volksmond vaak ‘gek’ , ‘gestoord’ of ‘doorgedraaid’ genoemd.

In vakjargon wordt dan vaak de diagnose ‘schizofrenie’ gegeven. Door een chemische onbalans in de hersenen werkt het onderscheid tussen verschillende gedachten niet bij iedereen optimaal en kan iemand de aansluiting verliezen met de consensus-werkelijkheid (de werkelijkheid die we met elkaar hebben afgesproken en zegt dat we nu in 2010 leven en pak 'm beet niet in de Middeleeuwen).

Met een beetje geluk is het beeld van onszelf en de wereld functioneel, begrijpen we onszelf en anderen, en geeft het ons het gevoel dat we enige invloed hebben op ons leven. En hopelijk staan we open om ons beeld van onszelf, anderen en de wereld te corrigeren. Als we nieuwsgierig blijven en bereid te leren dan houden we aansluiting bij de werkelijkheid en hebben we meer kans onze doelen te bereiken.


Onbewuste automatische gedachten oftewel blinde vlekken

Het is echter heel waarschijnlijk dat ook bij ons bepaalde blinde vlekken en vertekeningen in het denken ons tot last zijn. We zullen daar pas mee geconfronteerd worden als de ‘werkelijkheid’ weer eens wringt met bepaalde verlangens of verwachtingen. Bijvoorbeeld wanneer bepaalde terugkerende gedachten tot angst of ongemak leiden.

Zoals bij Frank: ‘Mijn collega’s zijn haaibaaien. Het lukt me gewoon niet om te zeggen wat ik vind op de vergadering. Ze nemen me echt niet serieus, wat doe ik hier nog.’

Of ze leiden tot relatieproblemen: ‘Karien heeft weer niet afgewassen. Ik heb er nu al twee keer om gevraagd. Ze houdt gewoon niet van me.’

Vaak bevestigen die gedachten wat we al dachten: ‘Zie je wel, ik weeg nog steeds 76 kilo, ik ben gewoon een slappe zak zonder zelfdiscipline.’

De meeste van onze schijnbaar willekeurige gedachten (als reactie op alledaagse gebeurtenissen) kunnen herleid worden tot een aantal fundamentele basisaannamen die we over onszelf en de wereld hebben gedaan. In de cognitieve gedragstherapie worden dat ook wel automatische gedachten genoemd: het zijn korte kernachtige boodschappen over wat we echt geloven over onszelf en de wereld. Ze zijn zo vanzelfsprekend, en lijken zo waar, dat we er ook niet snel aan zullen twijfelen. Als deze gedachten negatief en veroordelend zijn krijgen we er wel last van.

In het kort: negatieve automatische gedachten houden een negatieve veroordeling in van jezelf of de wereld en zijn moeilijk te herkennen als blinde vlek omdat ze waar, vanzelfsprekend en absoluut lijken, en omdat ze jouw werkelijkheid daarop inrichten.

Bij navraag blijkt Frank uit bovenstaand voorbeeld regelmatig te denken dat hij ‘minder belangrijk’ is dan de meeste mensen om hem heen. Dat was vroeger al zo: zijn broer was ‘overal beter in dan hij’, en zijn ouders spraken vaak met veel trots over de broer die bezig was profvoetballer te worden. Franks bezigheden bleven 'onopgemerkt', hun gezinsleven stond in het teken van voetbal. Hierdoor heeft Frank volgens eigen zeggen leren leven met het ‘inzicht’ dat sommige mensen, waaronder hij ‘gewoon de mindere zijn en zich moeten aanpassen.’ Dat zijn broer, na een vervelende blessure die zijn voetbalcarriére op een zijspoor zette, een potje van zijn leven heeft gemaakt verandert de zaken voor Frank niet. Ook niet dat Franks ‘minderwaardige’ bezigheden hem nu tot een succesvol grafisch designer hebben gemaakt. Het leed is al geschiedt: Frank heeft geleerd dat hij er niet zo toe doet, en die zelfspraak sijpelt door in zijn dagelijks leven.

Veel situaties interpreteert hij in dit licht. Zijn schoonvader die hem niet vraagt hoe zijn promotiegesprek is gegaan. Zijn vriendin Karien die al twee keer niet afgewassen heeft terwijl hij door wel om vroeg. Discussiërende collega’s op het werk. Het gebeurt hem, zo lijkt het, omdat mensen hem toch niet zien staan.

Een ander zou precies hetzelfde kunnen overkomen als Frank, laat ons hem Freek noemen. Precies dezelfde gebeurtenissen zouden volgens Freek gebeurd zijn omdat de vergeetachtige schoonvader er gewoon niet aan heeft gedacht, omdat zijn vriendin Karien gestresst is en een enorme sloddervos, en de collega’s zijn meer met de dreigende loonsverlagingen bezig dan met het gevoelsleven van Freek.

Uiteraard weten we niet altijd wie van de twee het bij het rechte eind heeft, maar we kunnen alvast wel deduceren dat Freek een grotere kans heeft om beter in zijn vel te zitten.

1. Blinde vlekken doorzien en het opsporen van denkfouten

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.