De welvaart stijgt, net als de kloof tussen arm en rijk: wat betekent dat?

Sommige statistieken zijn zo bizar, dat je amper beseft hoe belachelijk ze zijn en wat ze precies betekenen. Wat dacht je van deze statistiek uit het Oxfam Novib-onderzoek van 2015: de 62 rijkste mensen ter wereld bezitten evenveel als de 3,6 miljard armste mensen op de hele planeet.

Probeer het te bevatten, en je zult falen. Je hoofd is niet gemaakt om deze twee getallen succesvol met elkaar te kunnen vergelijken. Die 62 mensen begrijp je nog – dat zijn twee schoolklasjes bij elkaar. Maar probeer dat af te zetten tegen die 3.600.000.000 anderen… dat past niet in je brein.

Laten we daarom een ‘makkelijkere’ statistiek uit het Oxfam-Novib-rapport nemen. Het gezamenlijke vermogen van de rijkste 1 procent van de wereldbevolking is voor het eerst groter dan het vermogen van de overige 99 procent van de wereldbevolking. Ook dit is voor onze statistisch gehandicapte hersenen lastig te bevatten. Misschien helpt een kleine vergelijking:

Stel je hebt een dorp met 400 inwoners, en slechts twee huizen. Het eerste huis, iets luxer dan het andere, wordt bezet door een vierkoppig gezin. De andere dorpsbewoners – 396 stuks – wonen in het huis ernaast. Deze 99 procent moet dagelijks poepen, pissen, eten, douchen, kleren wassen, slapen, internetten, bellen en masturberen. In één huis. Deze vergelijking is uiteraard oneerlijk, want het vierkoppige gezinnetje heeft gewoon een huis nodig en die 396 anderen minstens een flatgebouw of trailerpark.

Het probleem met de inkomensongelijkheid in onze wereld is dat die veel minder zichtbaar is dan in dit voorbeeld. Dat komt omdat die rijkste 1 procent veel meer heeft dan nodig. Dat ‘veel meer’ zit voor het blote oog ‘verstopt’ in bedrijven, beleggingen, aandelen en bankrekeningen. Deze 1 procent – die gemiddeld per persoon iets minder dan drie miljoen bezit – hoeft nooit meer te werken, maar zal er juist alles aan doen om hun kapitaal te vergroten. Uiteraard gaat dat ten koste van die 99 procent. Het Oxfam-Novib-onderzoek laat zien dat alleen de rijken lijken te profiteren van economische groei.

Die inkomensongelijkheid blijft volgens Oxfam voorlopig groeien, tenzij het economisch systeem instort of verandert. Het zou dus goed kunnen dat volgend jaar slechts veertig mensen net zoveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking (die eerder genoemde 3,6 miljard). (Ter vergelijk: in 2015 waren het er 62, in 2014 nog 85 en in 2010 precies 388 mensen). De conclusie is snel getrokken: ons economisch systeem is (onder andere door belastingparadijzen en beleggingsvoordelen) serieus bevooroordeeld in het voordeel van de rijken – de mensen die eigenlijk niets extra’s nodig hebben.

Hoewel die toenemende inkomensongelijkheid vooral slecht uitpakt voor de armen, is het ook slecht voor de rest van de wereld. Alle onderzoeken suggereren dat meer inkomensongelijkheid leidt tot meer politieke onrust in een land. Het ondermijnt groei, vertrouwen en sociale cohesie, en bevordert criminaliteit, werkloosheid en discriminatie.

Veranderen is lastig want het zijn de winnaars die de spelregels bepalen. De weerstand tegen dit onrechtvaardige systeem wordt door de ‘winnaars’ vaak afgedaan als een kinderachtige aanval van jaloezie. ‘Ik heb mijn fortuin verdiend door keihard te werken en slim te zijn en nu wil jij dat ik een deel van mijn zuurverdiende centen gratis en voor niets weggeef.’ Dat is een van de rationalisaties die de rijken gebruiken om hun bezittingen te rechtvaardigen. Het zal best dat veel rijken hard werken: feit is dat wereldwijd ontelbare mensen keihard werken voor slechts een paar dollar per dag. Veelal om belachelijke winsten te maken voor multinationals waarvan vooral de CEO’s, aandeelhouders en directeuren profiteren.

Omdat deze bizarre welvaartsongelijkheid zich op zo’n grote schaal afspeelt voelt niemand zich hiervoor persoonlijk verantwoordelijk. Mensen vergelijken zichzelf bovendien met hun naasten, de mensen uit hun eigen sociale klasse en netwerk. Daarom ben jij eerder jaloers op de Tesla van de buurman dan op de gouden koets van het Koningshuis.

Het is zelfs zo dat de rijken der aarde als halve goden of bewonderenswaardige voorbeelden worden gezien, ook door de armen. De Dagobert Ducks van deze wereld worden overal met rode lopers binnengehaald en gratis en voor niets met gouden lepels gevoerd. Iedereen heeft er baat bij deze mensen in hun netwerk in te lijven. Wie weet druppelt er iets van hun welvaart jouw kant op.

Ondanks deze pessimistische statistieken is er ook positief geluid. Allereerst goed nieuws voor jou en mij: in Nederland valt de inkomensongelijkheid nogal mee. Wij zitten in ieder geval aan de goede kant van de welvaartsroulette. Ik schat dat jij en ik bij de rijkste tien procent van de wereld horen. In tegenstelling tot 93 procent van de wereldbevolking hebben wij een gedegen opleiding gehad en wonen we in een land waar alles tot in de puntjes is geregeld en waar we vrij zijn om te denken, zeggen en doen wat we willen. Ook vergeleken met onze Hollandse voorouders zijn wij stinkend rijk.

Jij en ik hebben tegenwoordig meer mogelijkheden, rijkdom, kennis, luxe en vrije tijd dan al onze voorouders bij elkaar. Meer bijvoorbeeld dan Napoleon Bonaparte, ’s werelds machtigste man in zijn tijd. We lopen standaard met supercomputers op zak die ons toegang geven tot alle informatie op de hele wereld. We kunnen daarmee twitteren met de Paus, facetimen met familie in Australië, terwijl we een partner schaken via Tinder. We hebben gratis toegang tot de beste medische zorg in een wereld met de minste risico’s en gevaren ooit. We doen aan fietsvakanties – en ik zou hier een punt kunnen plaatsen – op plekken die een eeuw geleden nog niet eens waren ontdekt. We leven in een unieke tijd, en ondanks dat er genoeg is om pessimistisch te zijn gaat die vooruitgang rustig door.

En dat is het echt goede nieuws: de wereld als geheel gaat ook vooruit. Je zou het misschien niet zeggen als je het nieuws leest, maar statistisch gezien is het overduidelijk; honger, ziekte en oorlog nemen wereldwijd af. En snel ook. Historicus Yuval Noah Harari beschrijft in zijn boek Sapiens – een kleine geschiedenis van de mensheid hoe mensen in alle tijden te kampen hebben gehad met de drie grote vijanden. Jager-verzamelaars van de Afrikaanse steppen, de farao’s van Oude Egypte, boeren in de middeleeuwen en al onze voorouders uit de negentiende eeuw: allemaal hebben ze te vrezen gehad van voedseltekorten, virussen en geweld. Deze problemen leken tijdloos en eeuwig, maar de moderne mens heeft het tij kunnen keren.

Deze drie vijanden zijn uiteraard niet volledig verdwenen (en er zijn nieuwe voor in de plaats gekomen, zoals de klimaatproblemen) maar Harari komt met ijzersterke argumenten dat de problemen tenminste zijn ‘getransformeerd van onbegrijpelijke en oncontroleerbare natuurkrachten in steeds beter te begrijpen en op te lossen uitdagingen. We hoeven in elk geval niet meer te bidden tot goden of heiligen om ons daarvan te bevrijden. We weten inmiddels wat we moeten doen om ze te voorkomen en op te lossen.’ De gemiddelde mens sterft eerder doordat hij te veel bij de McDonald’s eet en te weinig beweegt, dan door hongersnood, ebola of een IS-aanval.

De bottom line: honger, oorlog en ziekte zijn steeds meer te wijten aan menselijk falen en steeds minder aan de onvermijdelijke grillen van de natuur of de speling van het lot. En wie daarvan niet overtuigd is moet Harari's tweede boek Homo Deus maar eens lezen. Het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat de kracht van nieuwe technologieën (zoals gentherapie, nanotechnologie, geo-engineering en kunstmatige intelligentie) zich laat gelden en ons nog meer grip zal geven over ons collectieve levenslot. Die ontwikkeling op al deze gebieden gaat onverstoord (en steeds sneller) door en niemand weet waar het einde ligt.

De grootste uitdaging van de moderne mens is ethisch van aard: hoe verdelen we die toenemende welvaart op een manier dat niet alleen een kleine elite ervan profiteert? De balans groeit nu dagelijks schever. Farah Karimi, algemeen directeur Oxfam-Novib, stelt terecht: ‘Willen we echt in een wereld leven waarin één procent meer bezit dan de rest van ons allemaal samen? De omvang van de wereldwijde ongelijkheid is ronduit verbijsterend, en ondanks de wereldwijde aandacht voor het onderwerp, wordt de kloof tussen de rijksten en de rest steeds groter.’

De conclusie die we hieruit kunnen trekken ligt voor de hand: het wordt hoog tijd dat we een systeem ontwikkelen waarin de welvaart eerlijker verdeeld wordt. Hoe precies we dat gaan klaarspelen is lastiger te bevatten.

Reacties

De ongelijkheid kan ook relaties gaan opbreken. Vrouwen verwachten over het algemeen nog steeds dat mannen meer verdienen dan zij zelf. De vijver waarin zij vissen wordt leger en de mannen die wel goed verdienen hebben een enorme keuze. Daar kunnen ze zich naar gaan gedragen. Inkomensongelijkheid tussen man en vrouw is een bom onder je relatie.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.