Artikel over E-Mental Health Summit

Op 15 en 16 oktober vond in Amsterdam de E-Mental Health Summit 2009 plaats, een internationaal congres waar wetenschappers uit onder meer Nederland, Zweden, Engeland en Australië hun onderzoeksbevindingen naar de effectiviteit van geestelijke zorg via het net presenteerden.

Gedeelte uit artikel over E-health Malou van Hintum/Volkskrant (17-11-2009)

Op 15 en 16 oktober vond in Amsterdam de E-Mental Health Summit 2009 plaats, een internationaal congres waar wetenschappers uit onder meer Nederland, Zweden, Engeland en Australië hun onderzoeksbevindingen naar de effectiviteit van geestelijke zorg via het net presenteerden.

Gedeelte uit artikel over E-health Malou van Hintum/Volkskrant (17-11-2009)

Het is een tak van sport waarin Nederland voorop loopt. Pionier is hoogleraar klinische psychologie Alfred Lange (Universiteit van Amsterdam), die in de jaren negentig het eerste onderzoek deed naar de behandeling van posttraumatische stress stoornis (ptss) via internet.

In 1997 zette hij Interapy op. Daar ‘zien’ inmiddels 35 psychologen (en vijf behandelcoördinatoren) jaarlijks zo’n 350 patiënten. Er wordt doorlopend onderzoek gedaan naar behandelingen.

‘Bij internettherapie moet je, juist omdat de therapeut zijn cliënt niet ziet, extra goed kijken naar de verschillende bouwstenen van je programma en elke stap expliciteren,’ zegt Bart Schrieken, inhoudelijk directeur bij Interapy. ‘Daar worden behandelingen beter van. Face-to-face kun je daar je voordeel mee doen.’

E-mental health kent verschillende vormen: zelfhulp, begeleide zelfhulp, en therapie. Zelfhulp is hetzelfde als werken met een zelfhulpboek, zonder controle of begeleiding. Bij begeleide zelfhulp controleert een coach – meestal geen therapeut – of de cliënt zijn afspraken nakomt, en beantwoordt hij eventuele vragen. Hij behandelt niet.

Bij therapie zoals Interapy die aanbiedt, geeft een therapeut gestructureerd persoonlijke hulp. Dat gebeurt niet zomaar. De cliënt krijgt eerst een ‘diagnostische intake’, wat betekent dat hij een aantal vragenlijsten moet invullen. Bij depressie bijvoorbeeld zijn dat er zestien, met elk 5-30 vragen. Die worden met de cliënt besproken, en daarna wordt bepaald of de behandeling geschikt en veilig is.

Ongeveer 1 op de 6 mensen wordt (terug)verwezen naar hun huisarts of naar een face-to-face-behandelaar. Dat kan zijn omdat de klacht een risico vormt – mensen die psychotisch zijn bijvoorbeeld, of lijden aan verschillende klachten tegelijkertijd – of omdat er nog geen Interapy-behandeling voor de betreffende klacht bestaat. Zo begint eind dit jaar een internettherapie voor eetstoornissen; daaraan gingen twee jaar onderzoek vooraf.

‘Een spannende discussie is hoeveel menselijke therapeutische tijd nodig is om mensen via e-health effectief te behandelen,’ zegt Schrieken. ‘Bij pure zelfhulpprogramma’s, die weinig kosten, haakt 50-70 procent van de mensen af. Hoe meer tijd een therapeut in een online behandeling steekt, hoe groter het effect is. De helft van de therapie bestaat uit het verbeteren van het moreel van een cliënt. Effectief behandelen is volgens ons daarom altijd een combinatie van motiveren en steun geven, en specifieke therapeutische interventies.’

Daarbij maakt het niet uit of de therapeut in levende lijve aanwezig is of achter een computerscherm zit. Ook de digitale therapeut maakt afspraken en geeft opdrachten. En ook bij de face-to-face-therapeut komen mensen soms niet opdagen, of nemen ze hun medicijnen niet in.

Wel is het zo dat mensen die de Nederlandse taal slecht beheersen, in het nadeel zijn. Maar ook daaraan wordt gewerkt. ‘We hebben een test gemaakt op basis van audio en plaatjes die momenteel wordt gevalideerd,’ vertelt Heleen Riper, hoofd i.com (innovation centre of mental health & technology) bij het Trimbos-instituut. ‘We krijgen veel meer oog voor kwetsbare jongeren, mensen met een lage sociaal-economische positie en met een niet-Nederlandse etnische achtergrond. Die laatste groep is in toenemende mate online.’

Omdat effect en therapietrouw van face-to-face-behandelingen en internettherapie niet verschillen, vergoeden zorgverzekeraars in Nederland alle internettherapieën die evidence based zijn – dat gebeurt in geen enkel ander land. Intussen komen er in een hoog tempo internetbehandelingen bij.

Er zijn therapieën tegen depressie, burn-out, chronische stress, angststoornissen, eetproblemen, slaapstoornissen, seksuele problemen en problematisch alcoholgebruik. Seksueel getraumatiseerde jongeren kunnen sinds kort op het net terecht, en ook mensen met zelfmoordplannen.

‘Allerlei studies laten zien dat online behandeling voor depressie, angst en alcoholproblemen even effectief is als face-to-face-therapieën,’ zegt Riper. Toch gaat de toekomst niet over óf face-to-face-behandelingen, óf internettherapie.
‘E-health zal integreren in de bestaande zorg,’ voorspelt ze. Want de behandeling is niet alleen effectief, maar ook kostenbesparend. Vragenlijsten zijn geautomatiseerd, behandelruimten onnodig. Dat is voor beleidsmakers interessant, vooral omdat de kosten voor de gezondsheidszorg in de toekomst alleen maar zullen oplopen.

Bij een geïntegreerde behandeling kan bijvoorbeeld een huisarts een diagnose stellen, vervolgens verwijzen naar een internetbehandeling, daarna nagaan of de behandeling succesvol was, en eventueel vervolgen met een extra behandeling face-to-face of via internet. Het is nu al mogelijk een deel van iemands klachten via internet te behandelen, bijvoorbeeld bij trauma, en de rest face-to-face.

Ook komen er steeds meer preventieve interventies op internet bij, bijvoorbeeld voor mensen die lijden aan licht-depressieve klachten. Relatief kortdurende begeleide zelfhulp-cursussen als ‘Alles onder controle’ of ‘Kleur in je leven’ moeten voorkomen dat zulke klachten uitgroeien tot ernstige depressies.
Riper: ‘Over tien jaar is de zorg niet meer te betalen. Daarom moeten we nu kijken hoe we de bevolking zo lang mogelijk gezond kunnen houden, en daarbij een sterk accent leggen op ieders eigen verantwoordelijkheid. Er is meer self-management en empowerment nodig, maar dat moeten we wel via tools als internet en de mobiele telefoon ondersteunen. Bij diabetes en COPD gebeurt dat al, en dat kan bij depressie ook.’

Lange ziet wel gevaren in de introductie van grootschalige zelfhulp als vervanger van therapeutische begeleiding. ‘Ik zie zelfhulp als informatie-overdracht en als een eerste stap om problemen aan te pakken. Maar het kan ook verkeerd uitpakken. Zelfhulp gebeurt veelal anoniem. Dat is drempelverlagend, maar heeft ook gevaarlijke kanten,’ zegt hij.

‘Er is geen crisisinterventie als mensen flippen, terwijl we wel moeten kunnen ingrijpen als dat nodig is. Wie zijn die mensen, wie is hun huisarts.’

Riper signaleert een andere trend: ‘Voor zwaardere klachten is voorlopig nog een face-to-face-therapeut nodig. Maar het zal wel gaan opschuiven. Mensen met schizofrenie bellen nu ook al zelf de ggz en praten met andere patiënten. Het is een kwestie van tijd dat ook complexe klachten deels behandeld worden via het net.’

Riper ziet in de toekomst een belangrijke rol voor sociale media als Twitter, Facebook en Hyves. ‘Voor lotgenotencontact, maar ook om meer te weten te komen over patiënten. Zo kun je de zorg verbeteren, maar sociale media ook gebruiken om patiënten snel te informeren. Door die wisselwerking onstaat de health 2.0 patiënt, en de nieuwe zorg is hulp 2.0. Die trend is niet tegen te houden.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *