Is er wetenschappelijk bewijs voor het leven na de dood?

Op mijn 22e maakte ik het uit met mijn eerste vriendin. Dat is heel lang geleden, maar ik kan me die dag nog pijnlijk goed herinneren. Leven met herinneringen is ook beseffen dat alles vergankelijk is. De zware prijs die wij betalen voor ons tijdsbesef is dat we weten dat we ooit zullen sterven. Voor zover ik weet zijn wij de enige dieren die daarover na kunnen denken.

De dood – het besef dat je alles zult verliezen waar je aan gehecht bent – is iets wat we allemaal met elkaar delen. En het maakt velen van ons bang. Het is precies die angst die talloze religies heeft voortgebracht met als belangrijkste doel: een fantastische afterparty waarin al het onrecht gedurende hun leven teniet wordt gedaan. De religieuze verhalen die mensen elkaar duizenden jaren hebben verteld over Hemel en Hellevuur nemen we niet meer zo serieus. Tegenwoordig zijn wat sceptischer over het hiernamaals en denken we liever helemaal niet over de dood na. Niet iedereen lukt dat. Voor hen zijn er talloze bestsellers geschreven waarin zogenaamde wetenschappelijke bewijzen worden gepresenteerd voor het hiernamaals. De boeken bieden troost, maar zijn ze wetenschappelijk ook serieus te nemen?

Neem de bestsellers Eindeloos bewustzijn van de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel en Proof of Heaven van de Amerikaanse neurochirurg Eben Alexander. Beide boeken zijn geschreven als bewijsvoering dat het bewustzijn de dood van ons lichaam zal overleven. Deze intelligente, hoog functionerende mensen zullen het woord ‘bewijs’ toch niet zo snel in de mond nemen?

Wie voldoende thuis is in neurowetenschap, zal hun zogenaamde bewijzen toch echt als het resultaat van wensdenken zien. Ook slimme mensen doen namelijk aan wensdenken.

Het eerste probleem met de claim dat bijna-doodervaringen (BDE’s) ons een inkijkje in de dood geven is dat de mensen die ons erover kunnen navertellen nog leven. Ze zijn nooit écht dood geweest. Dat ligt nogal voor de hand.
Hoe zouden we de claims van bijna-doden überhaupt serieus kunnen onderzoeken? Er zijn uiteindelijk maar twee manieren hoe de BDE wetenschappelijk aannemelijk kan worden gemaakt:
1. Het brein zou bewezen inactief moeten zijn tijdens de BDE-ervaring. Dat zou overigens niet de waarheid bewijzen van datgene wat er ervaren wordt (bijvoorbeeld het zien van een engel), maar wel dat iemand überhaupt iets ervaart terwijl het brein offline is.
2. Een andere manier zou zijn dat de proefpersoon iets te weten komt, dat hij geen enkele andere manier kan weten tenzij het bewustzijn tijdelijk los van het lichaam kan functioneren. Als iemand bijvoorbeeld een object of tekst kan beschrijven dat in een hermetisch afgesloten ruimte is geplaatst.

Veel mensen claimen (onterecht) dat dit allang gebeurd is, maar dat klopt niet. Vooralsnog blijft het bij losse getuigenissen en niet bij officieel geverifieerde casussen. Anekdotes zijn iets anders dan bewijs. Rr is tot op heden nooit overtuigend aangetoond dat hun bijzondere ervaringen niet door de hersenen zelf zijn opgewekt. Wat inmiddels wél is aangetoond is dat alle ervaringen die typisch bij een BDE horen ook met hersenstimulatie, drugs en zuurstoftekort verkregen kunnen worden: tunnels van licht of duisternis, telepathisch contact met Hogere Intelligenties, een gevoel van eenheid met het bestaan, vervorming van tijd, het gevoel buiten je lichaam te zweven. Ook epilepsie en koorts kunnen dit soort bijzondere ervaringen opwekken. Dat maakt de ervaringen niet minder mooi en betekenisvol, maar vooralsnog lijkt het er sterk op dat er wel een levens brein nodig was om ze te veroorzaken.

De ‘wetenschap’ achter de boeken van Van Lommel en Alexander komen neer op de veronderstelling dat de hersenen inactief waren op het moment dat de beschreven BDE’ers hun ervaring hadden. Die claim hebben ze niet hard kunnen maken. Er zijn talloze gevallen bekend van mensen die, hoewel ze niet responsief waren tijdens hun narcose of coma, wel vol bij bewustzijn waren. Dat tezamen met het idee dat deze mensen meestal onder invloed waren van morfine of een narcosemiddel kan goed verklaren waarom deze mensen deze bijzondere, fijne ervaringen doormaakten. Ook het zuurstoftekort dat vaak gepaard gaat met operaties kan emoties en waarnemingen oproepen die bekend zijn van BDE’s: gelukzaligheid, onthechting, vreugde, tunnelervaringen, onvermogen om goed te plannen en te rekenen, gebrek aan coördinatie, verminderd tast- en pijngevoel, verminderde wens te bewegen tot aan totale verlamming bij helder bewustzijn toe.

Het belangrijkste bewijs dat Alexander in zijn boek voor zijn Hemelse ervaring geeft is dat er bij hem geen enkele (corticale) hersenactiviteit was gedurende zijn ervaring. Dat klinkt overtuigend uit de mond van een hersenchirurg, maar zijn veronderstelling laat ook een gebrek aan kennis over neurowetenschap zien. De gemiddelde hersenwetenschapper (en dat is iets anders dan een hersenchirurg) weet namelijk dat de CT-scans waarnaar Alexander verwijst, geen volledige inactiviteit in de hersenen kunnen meten. Het belangrijkste argument waarop zijn boek rust heeft dus geen enkele wetenschappelijke relevantie.

Maar dan nog: zelfs als zijn hersenen volledig inactief waren: hoe kon Alexander bepalen of zijn BDE die uren leek te duren niet slechts een artefact was van zijn brein op het moment dat het weer actief werd. Tijdsvervorming waarin minuten uren lijken, of andersom, is een vrij normaal verschijnsel. Bovendien, om zich de ervaring te herinneren, moet het brein in ieder geval wel gewerkt hebben. Ook dat verklaart hij verder niet.

Samengevat: dat Alexander iets bijzonder heeft ervaren, staat buiten kijf, maar het bewijs voor een bewustzijn onafhankelijk van het brein of van een hiernamaals is dat niet. Het enige wat van Lommel en Alexander bewezen hebben is dat mensen prachtige, betekenisvolle ervaringen kunnen hebben die hun leven kunnen veranderen. Tot op heden heeft nog niemand het eeuwige leven wetenschappelijk aangetoond. Dat betekent niet dat het niet bestaat, maar ik zou er geen geld op zetten.
Het grootste probleem is sowieso niet de dood, maar onze angst ervoor.

Angst voor de dood
Waarvoor precies zijn we zo bang als we over de dood nadenken? Op het moment dat je dood bent, ben jij er niet om je daar druk over te maken. Probeer je nu eens voor te stellen hoe het is om niet in het Mongolese dorp Sangiindalai te wonen: hoe erg is dat? Dat dorp functioneert al eeuwenlang zonder dat jij (hoogstwaarschijnlijk) van haar bestaan afwist. Angst voor de dood is vergelijkbaar: het is geen angst voor iets dat je kent of kunt kennen. Je kunt eigenlijk net zo goed vragen: hoe bang was jij voor je dood voordat je geboren werd? Of hoe bang ben je voor de dood als je in diepe slaap verkeert? Als de dood er is, ben jij er niet, als jij er bent is de dood er niet.

De dood zelf veroorzaakt geen enkel probleem: het is zeer waarschijnlijk het einde van alle problemen. Je hoeft niet eens meer na te denken over wat je voor het ontbijt moet halen. Je eigen dood is nooit een probleem, je leven is dat. Ook is het leven extreem bijzonder, juist omdat je ooit dood gaat.

P.s. Ondanks mijn refutatie van de claims van Van Lommel en Alexander ben ik geen verstokte materialist. Het leven, en het feit dat wij ons daar bewust van zijn, is vooralsnog een groot mysterie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *